VerenigingStichting

De naam Kingma

De oorsprong van de naam Kingma is nauw verbonden met de Kingma State te Zweins bij Franeker. De eerste vermelding dateert uit 1413, wanneer Sicke Sjaerda in de rechtsomgang van Franeker wordt benoemd als `ruyghter thoe Kinghum`.1 Deze Sjaerda behoorde tot het machtige hoofdelingengeslacht Sjaer(dem)a dat in de Middeleeuwen rond Franeker een aantal rechtvoerende states bezat, waaronder Kingma State, welke state zelfs `galg ende rad voerde`.2

Ca. 1450 woonde op Kingma Zathe een zekere Jelle Kingum, ook aangeduid aans Jelle thoe Kingum. Zijn nageslacht draagt de naam 9thoe) Kingum, Kinguma, Kingema, van Kingma en tenslotte Kingma. Kingum is een plaatsaanduiding, een toponiem, want eindigend op -um, zoals veel voorkomtin Friese plaatsnamen. Kingum kan een samentrekking zijn van Kinge-heim of -heem. Heem is de aanduiding voor een erf, een woonplaats, in dit geval vrijwel zeker een terp. Terpen dateren in dat gebied reeds van 150 voor Chr. Volgens Herman van Slooten is `Kinge een oude Friese voornaam en de vleivorm van Rinse, wat verband houdt met regin, "raad" en hiervan een éénstammige verkorting is`.3

De state was volgens het register van de aanbreng in 1511 voor driekwart in bezit van genoemde Jelle Kingum, tezamen met een Johannes Petri (pieters), vermoedelijk de broer van Jelle. Jelles zoon heet ook weer Pieter. Een kwart van de zathe is in 1511 bezit van Lutke Sjaerda, kleindochter van genoemde Sicke Sjaerda. het is niet onaannemelijk dat deze Sicke in de roerige tijden van de conflicten tussen Schieringers en Vetkopers een bastaard zoon (Pietr?) belastte met het toezicht en beheer van de state en hem beloonde met een deel van het bezit.4 De pijl in het Kingma wapen komt ook voor in het Sjaerdema wapen. Langs deze weg belandden de Kingma`s in het milieu van de eigenerfde geslachten, dat wil zeggen boeren op eigen grond.

De kleinzoon van Jelle Kingum, Jelle Pieters, had vier zonen, waaronder Ynte Jelles, getrouwd met Trijntje Saecklesdr van Sanstra. Dit echtpaar heeft twee zonen Saeckle en Jan Yntesz. Saeckle verwerft van zijn broer en neven Kingma State, zijn broer verkoopt zijn aandeel en woont onder andere (als gedeputeerde) op Abbinga state te Huizum en Fernia State te Minnertsga met zijn vrouw Bauck Pieters (van) Beijma. Op Fernia State wordt hun dochter Trijntje Jans geboren, die huwt met Goris Fopckes, eigenaar van een stemhebbende zathe te Wons bij Makkum. Bauckje huwt de smakschipper Jan Martens en uit hun huwelijk worden onder andere Hylke en Gerben Jans geboren, die zich beiden eveneens Kingma noemen. Van Hylke Jans is bekend dat deze zich zou hebben laten overreden door de grietman, om bij wijze van onderstreping van zijn bijzittersambt de naam Kingma te gebruiken.5

Sinds 1771 voeren de afstammelingen van Hylke Jans en Ytje Hayes in mannelijke lijn de naam Kingma.

--------------

Bronvermelding

  • 1: Mr. Overdiep en J.C. Tjessinga: De rechtsomgang van Franekeradeel, 1406-1438. Fryske Akademy, 1950
  • 2: C. Schotanus: Beschrijving van de Heerlyckheyd van Friesland, 1664
  • 3: H.G. van Slooten: Kingma, lid van de familie, pg9. Uitgeverij Hollandia Baarn, 1969
  • 4: Dr. H. Mol: Zorg en Zekerheid
  • 5: P. Blokland: De Friese familienamen voor, in en na 1811, Vrije Fries, 60, 66-78. Fries Genootschap, 1980