De 'Heren' uit de oliemolen te Makkum 
 
H. G. van Slooten log in voor tekstopties 

Pag. 103 en 104 van “Kingma, lid van de familie”,
Geschiedenis van Kingma’s Bank N.V.  1869-1969, door H.G. van Slooten

 

DE "HEREN" UIT DE OLIE-MOLEN TE MAKKUM

 

In het hoofdstuk over Kingma`s Bank 1919-1939 hebben wij gezien hoe in 1934 de president-commissaris een nadere verklaring gaf over het ontstaan van de hamer waarmede hij de vergadering van aandeelhouders presideerde: deze was nl. gemaakt uit hout afkomstig van de oliemolen te Makkum en toen hebben wij toegezegd nog iets te vertellen over een paar andere relikwieën van deze molen. Dat wij hiertoe in staat zijn, danken wij in de eerste plaats aan de zorg waarmee deze stukken door de familie Kingma steeds zijn bewaard, met name aan de heer Eelco Kingma, die deze voorwerpen in 1949 in bruikleen gaf aan het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek en in de tweede plaats aan de conservator van genoemd museum, Herre Halbertsma, die hierover het volgende schreef:

"De twee bruiklenen uit deze molen bestaan uit twee, uit hout gesneden manspersonen van ongeveer een halve meter hoogte. Zij hadden een eigenaar­dige taak, namelijk te waarschuwen wanneer een hoeveelheid oliehoudend zaad voldoende was uitgeperst en vervangen moest worden door een nieuwe hoeveel­heid. Dit ging als volgt in zijn werk:

Het oliehoudend zaad werd eerst gekneusd en verwarmd op zogenaamde voes­ters, stookplaatsen, overdekt met een ijzeren plaat, waarop het te verwarmen zaad werd uitgespreid. Na deze voorbewerking werd een bepaalde hoeveelheid zaad in een wollen lap gewikkeld en deze weer beschermd door een Ieren zak, opgevuld met paardenhaar. Nu werden twee van deze bundels aan weerszijden van een houten wig in twee holten geplaatst. Dan zette men het molenwerk in beweging en met donderend geweld sloeg een houten, verticaal geplaatste, balk de wig omlaag. Hierbij kwamen de bundels oliehoudend zaad danig in de ver­drukking en zweetten hun olie uit, die door de wollen lappen in daaronder ge­plaatste pannen liep. Het kwam er nu op aan de wig niet meer slagen te laten geven dan nodig was, enerzijds om tijd te besparen, anderzijds om de wig niet al te muurvast te slaan. Om deze wig weer omhoog te krijgen, liet men het mo­lenwerk op een contra-wig hameren, die de andere wig dus opwaarts sloeg.

Wanneer deze wig weer los was komen te zitten, zorgde de veerkrachtige paar­denharen vulling van de leren zak er voor, dat het afgewerkte zaad met de wollen lappen gemakkelijk te verwijderen viel en door een nieuw pakket te vervangen. Hoe vlugger dit ging hoe beter natuurlijk.

Al naar gelang de aard van het oliehoudende zaad stelde men het aantal slagen vast, dat de wig moest hebben vóór het molenwerk uit te schakelen. Dit varieerde meest van 20 tot 30 slagen. Om nu de knecht het tellen te besparen, had men een vernuftig mechaniek uitgedacht, dat men kon verstellen en na een bepaald tal slagen waarschuwde, dat het zaad voldoende was uitgeperst.

In de Makkumer molen ging dit nu zo, dat een pal bij elke slag iets naar beneden schoof, om bij de laatste slag tenslotte geheel uit te schieten en een touw met een bel aan te trekken. Aan dit touw zat tevens vast een beweegbaar lichaams­deel van de bewuste twee houten poppen. Deze poppen zijn natuurlijk niet tege­lijk in gebruik geweest, maar elkanders opvolgers. De oudste pop lijkt blijkens de klederdracht - een deftig gerokte man met een driekante steek op het hoofd - al dadelijk in de molen te zijn aangebracht bij de bouw in 1764. Na het vallen van de laatste slag deed deze heer de lange pijp uit de mond.

Door het vele waarschuwen heeft genoemde heer tenslotte zijn arm met pijp ver­loren, terwijl de houtwurmen het aanbrengen van een nieuwe arm niet mogelijk maakten. Hij kreeg toen een opvolger, eveneens een eerbiedwaardige heer, die na de laatste slag zijn hoed afnam. Deze houten heer schijnt omstreeks het midden van de vorige eeuw te zijn aangesteld; zijn voorganger kreeg echter een welverdiende rust in het kantoor van de Kingma`s, om nu samen met zijn op­volger het Museum in Sneek te bewaken. Deze opvolger zou gemaakt zijn door een zekere Govert Kuiper te Makkum. Na een bezoek aan de kleermaker en barbier zullen beide heren weldra hun nieuwe post gaan bekleden.

Niet alleen deze heren hadden een druk leven. Het andere personeel evengoed. De knecht moest niet minder dan 16 uur per dag in de molen zijn, met elke acht uur gedeeltelijke aflossing voor hemzelf en het andere werkvolk. In de molen was een vertrek met banken, waarop strozakken. Bij windstilte was daar het ontwijk. Het brood nam men mee en op de "voesters" verwarmde men de thee en koffie. En zo vloog het leven van de molenaarsknecht voort, dat wel veel ge­lijkenis had met dat van de zeeman, zwaar en ongeregeld, lange dagen van hard werken bij goede wind, afgewisseld met nietsdoen bij windstilte."

Tot zover de heer Halbertsma.

Nadat de "Heren" enige jaren dienst gedaan hadden te Sneek, konden ze toch Makkum niet vergeten en keerden terug naar het kantoor van de bank. De zoon van Eelco, Jan Kors Kingma, trof ze daar wederom aan en hing één der "Heren" op in zijn privé-kantoor, daarbij in zoverre zijn oude taak herstellende, dat "de Heer" nu dienst deed als portier en bij het openen van de deur de hoed lichtte!

Bij de verhuizing van Jan Kors naar Gorredijk volgden de beide "Heren" trouw en sieren thans (1969) zijn woning.

Mogelijk kan in de toekomst nog eens van de diensten van deze "Heren", zo nauw verbonden met de Kingma`s, gebruik gemaakt worden.