Voor en nageslacht van Hylke Jans Kingma (1708-1782) te Makkum 
 

FAMILIENIEUWS

Meld u nu aan voor de jaarlijkse VFK bijeenkomt op 11 juni 2017!

FOTO ARCHIEF
Grietje Anna Kingma-Vis

Op deze site:

423 artikelen
135 webpagina's
1013 foto's
1613 familieleden

J.H. Kingma log in voor tekstopties 


Inleiding
De voorouders van Hylke Jans waren in de XVII eeuw, net als hijzelf schippers en kooplieden. De vermoedelijk (niet bewezen) oudst bekende voorvader is een zekere Odda Gossaz, die een boerderij onder Gaast bezit in en voor 1511. De bewezen stamboom begint bij zijn vermoedelijke kleinzoon Marten Oddes, die rond 1578 te Gaast woont. Hij is de eerste Marten, waarvan er nog velen zullen volgen. Hylke Jans was niet alleen grootschipper, hij stond ook bekend als innovatief scheepsbouwer, had een zeil-, blok- en mastmakerij, een touwslagerij, maar was ook reder en  koopman met een netwerk, dat van Sint Petersburg tot Sevilla reikte. Met de winst uit de koopvaardij bouwde hij in 1764 een oliemolen en in 1767 een pakhuis, beide toepasselijk genaamd “het fortuin uit zee”. De molen is afgebroken in 1931, het pakhuis is onlangs fraai gerestaureerd. Ook nam hij als mederechter deel aan het grietenij bestuur van Wonseradeel. In het begin van de XIX eeuw gingen scheepvaart en rederij, die tijdens zijn leven tot grote bloei waren gekomen, te loor. De slag van zeil naar stoom werd niet gemaakt en schaalvergroting in de scheepvaart, ook toen al nodig, bleef uit. Het laatste schip, ‘de twee gebroeders’, verging op de Zuiderzee in 1838. De familie concentreerde zich vervolgens op handel, bankwezen en  industrie (oliemolens, panwerken en zuivelfabrieken).  Academici zijn dan nog schaars, behoudens een enkele arts en een aantal introuwende dominees. In de loop van de XX eeuw verdwijnt het ondernemerschap goeddeels uit de familie, zij het dat velen een vrij beroep kiezen. Vanaf het midden van de XIX eeuw zijn drie hoofdtakken te onderscheiden, allen beginnend in Makkum, later uitwaaierend in Friesland en ver daar buiten: de Sneker tak met o.a. panfabrikanten, later apothekers, artsen en notarissen; de Lemelerveldse tak, vanaf 1907 ook snel groeiend in Brazilie: aanvankelijk uitsluitend zuivelfabrikanten, landontginners-grootgrondbezitters, later ook artsen, enkele hoogleraren en verder juristen, ambtenaren, leraren, een lijn van beeldhouwers, maar ook verpleegkundigen, sociaal werkers, secretaresses enz.; de bankierstak uit Makkum en Bolsward met vooral olieslagers, kassiers en bankiers, de laatsten tot begin jaren ’80, wanneer de Kingma’s Bank opgaat in een groter verband, daarna overwegend academici. In de verschillende takken en op verschillende niveau’s bewegen zich in vijf generaties een wisselend aantal bestuurders van liberale signatuur, enkelen op landelijk (lid Tweede Kamer en lid Raad van State) politiek en – ook recent - topambtelijk niveau als Inspecteur Generaal Volksgezondheid en lid Gezondheidsraad. Toch waren de Kingma’s voornamelijk locoregionaal actief als gedeputeerden en leden van provinciale staten, als (mede)bestuurders van stad, grietenij of gemeente  als burgemeester, mederechter, wethouder of gemeenteraadslid en niet in de laatste plaats als dijksgedeputeerden en dijkgraven in de waterschappen.

De naam Kingma en Kingma State
Hylke Jans en twee van zijn drie broers gaan zich Kingma noemen naar hun grootmoeder Trijntje (van) Kingma. De noodzaak tot het voeren van een achternaam doet zich pas voor in 1771, toen Hylke Jans toetrad tot het grietenij bestuur. De grietman adviseerde hem de familienaam van zijn grootmoeder van moederszijde, Trijntje (van) Kingma, aan te nemen. De naam Kingma had in die tijd een voorname klank. Toch was Hylke Jans aanvankelijk terughoudend, immers hij stond als koopman in binnen- en buitenland bekend als Hylke Jans en vreesde dat verandering van firmanaam afbreuk zou kunnen doen aan zijn uitstekende reputatie. Hij gaf zich gewonnen en nam ook het Kingma wapen aan. Hij is zelfs naar Zweins gegaan en heeft het wapenbord Kingma, in de kerk aldaar, nagetekend. Zijn grootmoeder Trijntje, stammend uit  het eigenerfde geslacht (thoe) King(h)(e/u)m(a) uit Zweins, is een dochter van Jan Yntes van Kingma en Bauck van Beijma. Jan Yntes (1585) was eigenerfde boer onder meer te Schalsum en Weidum (als eerste eigenaar van Oud Bornia) en later te Minnertsga (als eigenaar van Ferniastate). Van 1627-1630 was hij gedeputeerde staat van Friesland, in welke periode hij woonde op Abbingastate te Huizum. Aanvankelijk kwam hij terug op zijn huwelijksbelofte, gedaan aan Bauck van Beijma, maar deze dwong het huwelijk via de rechter af. Zijn broer Saekle werd eigenaar van Kingmastate door koop van hun oom Pieter Jelles Kingma, gedeputeerde van 1601-1606. Op Kingmazathe, later -state in Zweins hebben tussen 1450 en 1700 zes generaties Kingum/Kingma’s gewoond, eigenerfden, waaronder een drietal gedeputeerden. De laatste was Ynte (Ignatius van) Kingma. Deze Ignatius van Kingma was van 1671 tot 1688 aanvoerder van een cavalerie regiment dat zijn naam droeg. In 1700 is hij kinderloos overleden. Ynte (Ignatius van) Kingma, de zoon van Saeckle, was de laatste Kingma op Kingmastate. Na zijn dood vererfde die via zijn zuster naar de familie van Ghemmenich en vervolgens via het huwelijk van diens dochter, die ook kinderloos overleed naar haar later hertrouwde echtgenoot van Beijma. Met deze op Kingma State wonende familie bestaat dus geen familierelatie of het zou via de eerder genoemde Bauck van Beijma moeten zijn. De familie op Kingma state noemt zich sinds 1770 van Beijma thoe Kingma. Hylke Jans heeft zelfs nog willen procederen over het bezit van de state, waar hij aanspraak op meende te kunnen maken als meest nabije oudste mannelijke erfgenaam na het uitsterven van de familielijn van Ignatius.
Er zijn nog nazaten Kingma in mannelijke lijn en vele nazaten in vrouwelijke lijn. Die laatsten hebben net als Hylke Jans en zijn broers de naam Kingma aangenomen van hun moeder, grootmoeder, overgrootmoeder of soms nog verder terug.

De gebroeders Kingma
Hylke Jans had nog drie broers, Gerben, Gorrit en Sybren, die allen in Workum woonden. Gorrit's zoon Jelmer wordt tot de rijksten van Friesland gerekend in zijn tijd. Zij bekleedden functies in het stadsbestuur o.a. als burgemeester en bewogen zich economisch op hetzelfde terrein als Hylke Jans. Dat was mede de reden om de tot dan toe voor gezamenlijke rekening gevoerde firma, hun broederlijke compagnie, op te delen. Hylke kreeg de werf in Workum, welke hij later in Makkum voortzette. Zijn steeds grotere schepen maakten het nodig de sluis in Makkum te verbreden, hetgeen op zijn initiatief en voor een niet onbelangrijk deel op zijn kosten is geschied. Deze rond 1780 ca 10.000,- guldens zijn nooit terugbetaald aan de familie. De takken van zijn broers Gerben, Gorrit en Sybren zijn uit beeld geraakt of uitgestorven. Sybren overlijdt jong, Gorrit neemt de naam ‘van der Zee’ aan, waarvan nog heden nazaten leven. Het nageslacht van Gerben verdient wellicht nog eens nader uitgezocht te worden. Enkele nakomelingen van hem, sinds de jaren ‘20 in Berlijn en later ook Frankfurt wonend, zijn lid van de Vereniging Familie Kingma. Zij stammen via Heert Jans Kingma, zilversmid te Leeuwarden, af van Gerben Kingma. Verder is er nog de tak van Robijn Kingma, die rond in 1834 in Arnhem is beland. Onderzoek is moeilijk doordat het bevolkingsregister van Arnhem in W.O.II verloren is gegaan, maar ook deze tak is vrijwel zeker uitgestorven.

Familiecultuur en genealogie
Een grote staat heeft de familie nooit gevoerd. Hylke Jans als wellicht meest succesvolle en meest vermogende, wilde zich niet van de andere kooplieden onderscheiden. Zijn nieuwe gevel in 1772 mocht niet uitsteken boven die van de andere kooplieden. Drie generaties later bij de bloei van de familiebank verzuchtte de toenmalige chef  de famille Tjeerd Herre Kingma (1838-1931): “als we nu maar niet weelderig worden!”. Die stijl van soberheid is door de eeuwen heen gebleven en kenmerkt ook vandaag de dag de familiecultuur, die wordt bewaard in de Kingma Stichting en de Vereniging Kingma. Het bezit van een grote collectie dierbare voorwerpen, soms van grote cultuurhistorische waarde en het zeer omvangrijke en dankzij het Ryksargyf zeer toegankelijke 40 meter grote bedrijfs-en familiearchief (1693- tot heden) inspireert tot continuiteit. Daarin past het zorgvuldig bijhouden van de familiegenalogie door de opeenvolgende generaties.

English

Portugués

 

Wat is nieuw?
Laatste update:
08-07-17

 

De stamboom

op 01-09-2010
stamboom